zondag 27 oktober 2013

De mens is een onverbeterlijke dromer


Droom veroorzaakt door de vlucht van een bij rondom een granaat-
appel, één seconden alvorens te ontwaken (Salvador Dalí, 1944)
‘De mens’, zo schreef André Breton in 1924 in zijn manifest over het surrealisme, ‘is een onverbeterlijke dromer’. Dromen werden door hem beschouwd als instrumenten van ultieme verbeelding die bij de mens het recht van totale vrijheid genereren, zozeer zelfs dat daarmee de regels van het verstand en de principes van de werkelijkheid op de tocht komen te staan. ‘Traumdeutung’ noemde Sigmund Freud dat. Voor de surrealisten betekende het de revolutie, want ‘het realisme is het snoeien van bomen, maar het surrealisme is het snoeien van het leven’.
Het was de droom die het surrealisme als een bliksemstraal beroerde. Met dat uitgangspunt is in het Thyssen Bornemisza Museum in Madrid een expositie samengesteld met droombeelden op canvas, in grafiek, driedimensionaal in sculpturen en in fotografie. Tegelijkertijd - het lijkt op een gedroomde toevalligheid der dingen - is in de expositieruimte van Juan March, ook in Madrid, een tentoonstelling samengesteld van surrealistische werken vóór het surrealisme. Deels overlappen beide exposities elkaar (zeker als het om fotografie van Man Ray en werken van Salvador Dalí gaat), deels liggen ze prachtig in elkaars verlengde. Beide exposities omspannen immers vele eeuwen van surrealisme, ook toen het nog niet als zodanig werd benoemd.



Dat in beide catalogi (waardevolle naslagwerken voor de liefhebber) voortdurend de naam van André Breton valt, ligt de voor de hand. Samen met o.a. Paul Éluard, Giorgio de Chirico en Louis Aragón stond hij aan de geboortewieg van het surrealisme. Dat Breton in die beginfase sterk aanleunde tegen het gedachtengoed van Freud en zijn psychoanalyse van de dromen - beiden gingen uit van het onbewuste verlangen - lijkt voor de hand te liggen. Dat was het aanvankelijk ook, maar na een bezoek van Breton aan Freud keerde de Fransman ontgoocheld terug uit Wenen, zozeer dat hij Freud jaren later zou beschrijven als ‘een oude man met een armzalige artsenpraktijk’.
Voor de surrealisten was de droom niet, zoals bij Freud, het middel om het onbewuste verlangen te traceren, maar een eindpunt op zich: de droom als een beeldend kunstwerk, als een bevoorrechte ruimte van verbeelding waarin vorm wordt gegeven aan menselijk verlangen. Na het surrealistisch manifest van 1924 werkte Breton dat droombeeld verder uit in 1938 met een nieuw manifest, getiteld Trajectoire du rêve: de loopbaan van de droom. Driekwart eeuw later is die loopbaan verlengd naar het Thyssen Museum en geïllustreerd met treffende voorbeelden van de wijze waarop bekende en minder bekende surrealisten zijn omgegaan met dit tot de verbeelding sprekende thema. Simon Vestdijk zei eens over dat thema dat de kunstenaar de droom niet ondergaat maar dat hij hem schept. ‘In plaats van stroomafwaarts met de droom te leven, zoals de dromende doorsneemens doet, zoekt hij het brongebied op waaruit droom en kunst beide worden gespijzigd.’ Dat nu is te zien in het Thyssen Museum.
Een expositie over surrealisme zonder Dali is, zeker in Spanje, ondenkbaar. Spanje heeft in de jaren dertig een forse bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van het surrealisme dankzij het perverse van Dalí, het poëtische van Joan Miró, het absurde van Pablo Picasso en het fijnbesnaarde van Julio González. Dalí is in Thyssen dan ook de drijvende kracht van de expositie met negen werken, waaronder Droom, veroorzaakt door de vlucht van een bij rondom een granaatappel, één seconde alvorens te ontwaken (1944). Uiteraard mag ook hier de film Un Chien Andalou van Luis Buñuel, hartsvriend van Dalí, niet ontbreken. Omdat Thyssen makkelijk kan uitlenen en lenen, heeft de expositie de dimensie gekregen die het zo bijzonder maakt dankzij de medewerking van prestigieuze musea, galeries en collectioneurs in de Verenigde Staten, België (o.a. Galerie Ronny van de Velde en het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in  Antwerpen), Nederland (Van Gogh Museum en Kröller Müller Museum), Frankrijk, Italië, Mexico, Tsjechië, Engeland, Israel en Zwitserland. Die wereldwijde uitleen leidt tot twaalf werken van Max Ernst, negen werken van Oscar Dominguez, zes werken van René Magritte (waaronder twee versies van De kunst van de conversatie uit 1950 en 1963) en vier werken van Paul Delvaux (waaronder twee versies van Le Rêve van res. 1935 en 1944). Alsmede werken van Joan Miró, Man Ray, Jindrich Styersky, Odilon Redon, Dora Maar, Hans Bellmer en vele anderen. Een absolute topscore. 
De kunst van het converseren (René Magritte, 1963)
De kracht van de expositie zit vooral in de uitwerking van het expositiethema, hoe verschillende kunstenaars, elk vanuit hun eigen discipline, vorm geven aan de droom zoals Max Ernst dat heeft bedoeld. Surrealisten, zo schreef hij in 1934, zijn geen kunstenaars die hun dromen kopiëren in hun werk. ‘De surrealisten’, aldus Ernst, ‘begeven zich in volledige vrijheid, vermetelheid en ongedwongenheid in het grensgebied tussen de innerlijke en de uiterlijke wereld. En ook al lijkt het onduidelijk, toch gaat het om een fysieke en psychische realiteit (dus sur-realiteit)’. Met andere woorden: het verbeelden van een droom betekent niet dat je die droom kopieert, zoals Freud zei. Of, zoals Magritte het verwoordde in 1962: ‘Mijn schilderijen zijn het tegenovergestelde van dromen, want de droom heeft niet de betekenis die ik er aan geef’.
De expositie in Juan March wil in feite een voortzetting zijn van de tentoonstelling Fantastic Art, Dada, Surrealism die in de winter van 1936/37 plaatsvond in het Museum of Modern Art in New York. Daar werd toen modern werk geconfronteerd met oud werk van o.a. Bosch, Arcimboldo, Piranesi en Goya. Die confrontatie wordt nu gesymboliseerd door twee emblematische werken: Melancholie van Dürer (1514) en Het mysterie van Isidore Ducasse van Man Ray (1920). Voor deze tentoonstelling is in ruime mate gebruik gemaakt van de collectie van het Germanisches Nationalmuseum in Neurenberg. Daarom ligt de nadruk vooral op grafiek. Gaat het in Thyssen om de revolutie van het surrealisme in de vorige eeuw, in Juan March wordt de bezoeker geconfronteerd met de evolutie van de fantasie. Minder vanzelfsprekend (zoals in Thyssen) en daarom des te verrassender.
Melancholie (Albrecht Dürer, 1514) 
Van de elf subthema’s is vooral het eerste wat letterlijk en figuurlijk in het oog springt. Dan gaat het om het naar binnen gekeerde oog dat als venster fungeert voor de ziel. Opnieuw moet Breton worden geciteerd: ‘Het oog bestaat in wilde staat’, woorden waarmee hij zijn manifest over surrealisme en de schilderkunst begint. In de optiek van Breton ziet het oog in natuurlijke staat meer van de innerlijke dan van de uiterlijke wereld. De droom en de hallucinatie zijn de instrumenten van het oog waarmee de surrealist zijn wereld beziet. Eigenlijk is  daarmee niets nieuws onder de zon. Begin zeventiende eeuw schreef pater José de Sigüenza, de bibliothecaris van Philips II, al dat Jheronimus Bosch met zijn drieluik De tuin der lusten niet het uiterlijk van de mens had weergegeven, maar dat het om een metafoor ging van het innerlijk van de mens. Waarmee maar gezegd wil worden dat er al surrealisten waren voordat het surrealisme in de jaren dertig van de vorige eeuw officieel als stroming in de kunst gestalte kreeg. 
Werk van Bosch is er niet in Juan March maar wel vier kopergravures van een van zijn trouwste navolgers, Pieter van der Heyden. Zij en Dürer kunnen worden beschouwd als de verre artistieke voorouders van André Breton en Salvador Dalí. En vele anderen, zoals Hans Baldung, Matthias Zündt, Hendrik Goltzius, Lucas Cranach de Oude, Martin Schongauer, Jacaques Callot. Michael Wolgemut om er maar een paar te noemen. Maar er is ook recenter werk van Dalí, Picasso, Dominguez, Goya, Max Ernst, James Ensor en Man Ray. Allen met werken waarvan de iconografie is geworteld in fantasie en gedroomde realiteit.