vrijdag 26 april 2019

Jan Siebelink en het zwarte gat



Het zwarte gat
‘Het verlangen naar de dood, wetende dat je niet alleen bent op het moment dat het zover is en dat na dat moment alles gelukkig wordt.’ Waar had ik dit gehoord? Op de radio? Waarschijnlijk een programma van de Evangelische Omroep. Of was het mij ingefluisterd op mijn imaginaire reis naar de andere kant van het leven? Een droom wellicht? En dan nog: is de dood de scheiding van ziel en lichaam zoals Plato dat heeft aangegeven in zijn dialoog Phaedo?
Ik wist het niet meer. Slapeloze nachten kreeg ik ervan. Naar de dood verlangde ik geenszins. Maar ja, als dan daarna alles gelukkig zou worden…? Nog gelukkiger dan het al was? Met die existentiële vragen liep ik dagen lang rond totdat Jan Siebelink langs kwam. Niet bij mij thuis, of bijna wel want het culturele centrum De Pol, waar hij een lezing gaf, ligt bij mij om de hoek. Amper vijftig meter scheiden mij van werkelijkheid en verbeelding. 

Ik kende hem niet. Nooit iets gelezen van Jan Siebelink, ook zijn meesterwerk Knielen op een bed violen niet. Met Harry Mulisch en Cees Nooteboom had ik in Madrid kennis gemaakt. Maar Siebelink was mijn loket nooit gepasseerd tijdens dertig jaar Spanje. Daar zat ik dan, tegenover de gevierde, maar soms ook verguisde schrijver, 81 jaar oud, slecht ziend, maar nog steeds actief. Kabbelend op zijn verleden vertelde Siebelink over religie en onsterfelijkheid, over de goede en slechte kanten van zijn vader, over wat werkelijk is gebeurd of wat gedroomd of gefantaseerd is. ‘Ik raak alleen verstrikt als mij wordt gevraagd wat is nou waar en wat is niet waar. Soms weet ik het niet meer. Is het nu echt gebeurd of heb ik het verzonnen?’ 
Dat was het moment om hem mijn prangende vraag voor te leggen ook al kon ik mij niet meer herinneren waar ik het had gehoord. Maar verzonnen had ik het niet. ‘Het verlangen naar de dood, wetende dat je niet alleen bent op het moment dat het zover is en dat na dat moment alles gelukkig wordt.’ Zo had ik het opgeschreven. ‘Is dat wellicht het geluk dat je vader nu ten deel is gevallen’, vroeg ik hem. ‘Denk je zelf dat je, als het moment eenmaal daar is, het ultieme geluk tegemoet gaat?’
Jan Siebelink
Er viel een diepe stilte. Zoekend naar woorden leek het er op dat Jan Siebelink verstrikt was geraakt in de vraagstelling. Was dat nou echt, dat je na je dood gelukkig zou worden? Toen, na vele ik-weet-het-ook-niet blikken probeerde hij toch antwoord te geven. ‘Je hoopt natuurlijk dat er iets is dat we God noemen… Wellicht is het zwarte gat, zoals dat nu is gefotografeerd, het begin van God. Maar….ik weet het niet. Het ultieme geluk… Ik hoop dat het voor mij is weggelegd. Maar dat weet je pas als het al te laat is’.
  
Te laat? Is er dan geen enkele seconde tussen het moment dat je lichaam de geest geeft en de ziel het lichaam verlaat zoals Plato ons zei? Mijn herinnering ging terug naar het voorval, eeuwen geleden, toen in de ruïnes van het klooster Santa Maria Nuova aan de Via Appia in Rome een marmeren sarcofaag was opgegraven. ‘Julia, dochter van Claudius’, luidde het mysterieuze opschrift op het deksel van de doodskist. Nadat het deksel met enige moeite was verwijderd, sloeg de verbijstering toe. De wanden van de kist waren oogverblindend, smetteloos wit. In de sarcofaag lag het gebalsemde lichaam van een beeldschoon jong meisje. Ze was een jaar of vijftien, had de ogen half geopend en de lippen iets uit elkaar. ‘Een menselijke metafoor van optimaal geluk’ had een omstander gefluisterd.  ‘Als je niet beter wist, zou je denken dat ze nog ademde’, was het opgetogen relaas van een andere ooggetuige. ‘Terwijl ze daar toch al heel wat eeuwen moet hebben gelegen’, had hij er overbodig aan toegevoegd. ‘Nooit eerder heb ik zo’n gelukkige vrouw mogen aanschouwen’, had een derde getuige verzucht. 
Ophelia van John Everett Millais
Julia - ongetwijfeld was dat ook haar echte naam - werd in een plechtige processie naar het Conservatoren-paleis op het Capitool gebracht. De mare over haar wonderlijke verschijning ging als een lopend vuurtje rond. Enkele dagen later al was het Capitool bedolven onder een bloemenpracht zoals Rome nog nooit had gezien. Aan geen enkele overleden paus was meer eer betoond met brandende kaarsen dan aan deze mysterieuze maagd. Geen enkele heilige was ooit herdacht met zoveel bloemen. Voor het volk was zij de nieuwe Madonna, bijna zoals John Everett Millais in 1851 zijn Ophelia schilderde. Totdat paus Innocentius VIII, gealarmeerd over deze zich snel verbreidende vorm van heidens volksgeloof, opdracht gaf om de sarcofaag met het lijk te begraven. Zo verdween Julia in het diepst van de nacht opnieuw onder de grond op een plaats, die nog steeds behoort tot een van de best bewaarde geheimen van de Heilige Stoel.
Was dit werkelijk gebeurd? Of heb ik het verzonnen? Was er toch een groter geluk dat iemand kan toevallen na zijn of haar dood? Zou pater Domenico van de abdijkerk van Maria van de Zeven Smarten het wellicht weten? Raakte ik nu zelf verstrikt in mijn verbeelding?
Net toen mij een cappuccino was voorgezet in de sacristie werd de kerkvader weggeroepen voor een dringende kwestie. ‘Ga maar mee’, zei hij uitnodigend. Even later werden we binnengelaten in een huis vol rouw en verdriet. Beatrice, de dochter des huizes, was zonder enige aanwijsbare oorzaak plotsklaps gestorven. Ik volgde hem op een krakende trap die ons naar de bovenverdieping leidde. In een donker, muf ruikend kamertje zonder vensters lag Beatrice opgebaard. Aan het hoofdeinde hing aan de muur een eenvoudig houten kruis. Twee brandende kaarsjes aan weerszijden van het bed flakkerden even op toen er een lichte tochtvlaag door de kamer was gegaan bij het openen van de deur. Alsof de ziel van Beatrice het kamertje ijlings wilde ontvlieden.  
Na een tijdje biddend aan het voeteneind te hebben gestaan, doorbrak de pater de stilte met een luide stem: ‘Beatrice, vertel mij, waar-ben-je?’
Uiteraard gaf het lijk geen antwoord. Wie zou zoiets ook verwacht hebben? Toch hield de pater vol. Opnieuw denderde zijn stem door de kleine zolderruimte, nu met meer aandrang. ‘Beatrice, alsjeblieft, vertel me, zeg het mij. WAAR BEN JE?’
De tranen van Rogier  van der Weyden
Toen voltrok zich het grote wonder. Tot stomme verbazing van de pater, van mij en van de in de deuropening staande familieleden openden de ogen van het lijk zich. Er kwam een beetje speeksel uit haar mond dat tergend langzaam langs haar al uitgedroogde lippen gleed naar haar witgele kin. Uit een van haar ogen druppelde een traan zoals alleen Rogier van der Weyden die had kunnen schilderen. De stilte was om te snijden. En toen, met een iele, nauwelijks hoorbare stem, antwoordde de reeds gestorven Beatrice: ‘Oh Vader, ik zie zwarte duivels met drietanden en kettingen van vuur. Zij drijven de verdoemden voor zich uit naar.....Oh Vader, de hel. Vader…... Ik ben in de hel.’
‘Hebben jullie dat goed gehoord?’, galmde pater Domenico, zich richtend tot familieleden en buren die zich bevend van ontzetting en angst rond het bed hadden geschaard. ‘Ze is in de hel.’
‘In de hel?’, vroeg ik een uurtje later toen we waren teruggekeerd in de sacristie van de kerk van Maria van de Zeven Smarten. ‘Jazeker’, antwoord de pater zelfverzekerd, ‘het is de hel met zijn “sempiternus horror”. Deze eeuwigdurende verschrikking is er om af te rekenen met de verdoemden om te voorkomen dat ze terugkeren in deze wereld. Want de verdoemenis is de totale afscheiding van God.’ 
- En het hellevuur?, vroeg ik enigszins benauwd.  
‘Bovennatuurlijk en onverklaarbaar’, zucht de pater terwijl zijn ogen naar het plafond waren gericht en hij snel een Onze Vader prevelde. ‘Het vuur op deze wereld is onvolmaakt, net zoals de wereld zelf. Onze vlammen lijken oppermachtig maar zijn gloeiende koolpuntjes als ze worden vergeleken met het verzengende vuur in de hel wat niet alleen het lichaam tot as verbrandt maar ook de ziel.’ 
- En de verdoemden? Wie zijn het?
‘Dat zijn degenen die de autoriteit onteren met hun zonden, die zich laten verleiden en leiden door het kwaad. Het zijn de erfgenamen van de Farizeeën, die hypocrieten uit het evangelie’, aldus de pater. 
- En het geluk, het eeuwig voortdurende geluk dat je na de dood kan toevallen?
Pater Domenico keek me streng aan. Zijn ogen gloeiden. ‘Dat is alleen voorbehouden aan hen die vrij van zonden zijn’. Met die woorden keerde ik op bijna bovennatuurlijk wijze, alsof ik in een roman was verdwaald, terug naar Jan Siebelink. Zou hij vrij van zonden zijn? Zou hij überhaupt geloven in een hiernamaals. ‘Het geloof is buitengewoon moeilijk, maar zelfs als je enorm twijfelt, maakt het je leven mooier’, vertelde hij in een recent interview met het dagblad Trouw. ’Ik begrijp niet dat de secularisatie zo om zich heen slaat. Waarom zou je niet de hulp van de religie inroepen? Waarom moeten we zo flink zijn? Ik vind het jammer als er weer een klein mooi kerkje wordt omgevormd tot damclub. Er gaat dan iets wezenlijks verloren. Dat geldt ook voor de literatuur: ik wil geen plat verhaal schrijven, maar een aards en sensueel boek met een hemels vergezicht.’ 
Maar de vraag of het zijn hemelse vergezicht is of dat hij dat vergezicht uitsluitend opvoert in zijn boeken bleef onbeantwoord tijdens het avondje Siebelink in Diepenheim aan Zee. ‘Soms weet ik het niet meer. Is het nu echt gebeurd of heb ik het verzonnen?’ Na afloop vroeg ik hem een exemplaar te signeren van Jas van belofte. ‘Voor wie is het bestemd’, vroeg hij. ‘Voor de onsterfelijken’, zei ik. Even twijfelde hij. Toen schreef hij in bijna niet te lezen letters: ‘Voor de onsterfelijken’. Of schreef hij ‘Voor de onsterfelijkheid’? Misschien dacht hij daarbij wel aan het eeuwige geluk achter het zwarte gat. Maar dat zei hij niet.

donderdag 25 april 2019

Brief aan een verre vriend


Querido amigo,
Roomse zelfkastijding
Er zijn ergere dingen op de wereld dan ’s ochtends wakker worden in kamer 301 van hotel La Casa Grande in Baena als een oogverblindend licht een stralende dag aankondigt. Vanaf het terras heb ik uitzicht op een park en – wat verder weg - een nog maagdelijk stuk Spanje. Ik dompel mij onder in het bubbelbad alsof ik alsnog moet worden gedoopt. Daarna begeef ik mij met plechtige tred, als zou het gaan om het Laatste Avondmaal, naar de zaal met het Andalusische ontbijtritueel: geroosterd brood met olijfolie, gemalen tomaat en als toetje sinaasappelschijfjes met honing en daarover heen enkele druppels olijfolie. De dag kan eigenlijk al niet meer kapot.
Het is pasen. In Spanje gaat dat wat verder dan een paasei, een paasvuur en een Matthäus Passion. In Spanje is de paasweek - de semana santa - de heilige week van het Grote Lijden. Menig processie heb ik de laatste jaren voorbij zien gaan maar nog nooit werd ik gegrepen door smart of pijn, hooguit door nieuwsgierigheid. Zou ik mij als oprechte christen willen overgeven aan roomse zelfkastijding, mij spiegelend aan Hem aan het Kruis? Ik denk het niet. Om toch iets te kunnen begrijpen van het Grote Lijden ben ik in Baena, een 20.000 zielen tellende provinciestad tussen Córdoba en Granada. Daar, in het hart van Andalusië, voel ik mij omringd door duizenden hectares olijfbomen, immer rondcirkelende zwaluwen en de zure geur van geperste olijven. Een oase van rust. Maar niet als het pasen is.
Ach, amigo, was jij wel eens in Baena? Ben je ooit uit je kluizenaarshut op de Berg in de schaduw van de Picos de Europa afgedaald om je zuidwaarts te begeven? Heb je daar wel eens een man in monnikenpij - het boetekleed? - gezien op blote voeten die zijn kruis meetorst door de straten? Mannen met ontblote ruggen die hun ruggen tot bloedens meppen met zwepen? Geselen voor, om en door het geloof. In de vocabulaire van de Heilige Stoel gaat het dan om ascese of religieuze overtuiging van een flagellant. Ik noem het roomse zelfkastijding door een kruisbroeder die zijn toelatingsexamen doet voor het vrijwilligerskorps van Opus Dei. 
De trommelaars van Baena
Maar goed, Baena dus. Paastijd. De olijvenoogst is al lang achter de rug. De lokale bevolking heeft dan ook alle tijd om zich in eendrachtige ijver over te geven aan een van de indrukwekkendste paastradities in dit deel van Spanje: la fiesta de los tambores. Drie dagen en drie nachten lang meppen duizenden inwoners van Baena, verdeeld in de judíos coliblancos en de judíos colinegros op hun trommels tot het bloed in hun handen staat. In harmonie? Vergeet het maar. Het nimmer wijkende geroffel kan amper veel verschillen van het volkslied van de hel. Processie na processie sloft zich zo door de straten onder het striemende staccato van het geroffel der trommels. Een directe aanslag op trommelvlies en welluidendheid. Weg oase van rust. 
Beurse schouders
Een enkele keer is het toch even stil. Dan houdt het volk de adem in als rumoer en getrommel verstommen en worden afgewisseld door een hemelse sereniteit. Dat is het moment voor de saeta, de lofzang op het lijden die a-capella vanaf het balkon van een huis of op een straathoek door een geroutineerd of aankomend flamencozanger wordt voorgedragen als de Heilige Maagd passeert, gedragen op beurs geworden schouders van de broederschappen. Adembenemend. Dat alles groeit in een niet te stoppen copulatie van geluidsorgie en geluidsreligie naar een hoogtepunt op Goede Vrijdag als de puntmuts-ommegangen voor filevorming zorgen in het centrum. Zodra Maria, Jezus en een verdwaalde apostel onder luid applaus van omstanders hun vaste plek hebben herkregen in de talloze kerken begeeft iedereen zich kwebbelend en trommelend in een chaotische processie naar de dranketablissementen rondom het plein voor het gemeentehuis. 
Om half twaalf is de koffie op. Daarna wordt er alleen nog maar bier, anijs en cognac geserveerd. Ieder weldenkend mens zeult een half gevuld glas met zich mee en een reeds toegetakeld slaginstrument. De trommelaar trommelt door alsof zijn leven ervan afhangt, soms anarchistisch en individueel, dan weer groepsgewijs zonder aanwijsbare regie, soms ook verdwaald verdwaasd en enigszins aangetast door de alcohol, maar altijd met bepleisterde vingers die rood zijn van het bloed. Het fanatisme is groot, bijna zo groot als bij de sjiïtische moslims die op de tiende dag (Asjoera) van de eerste maand (Moeharram) de martelaarsdood herdenken van iman Hoessein, de kleinzoon van de profeet Mohammed. Maar dat is een ander verhaal.
De auteur als colinegro


Als de laatste zwaluw zijn of haar nest heeft opgezocht en de zon al lang achter de olijfboomheuvels is verdwenen in het verre westen, word ik met de pastoor als gids binnengeleid in het lokaal van de colinegros. Dat vraagt om enige uitleg. Colinegros dragen Romeinse helmen met zwarte pluimen. Zij vertegenwoordigen het werkvolk. Coliblancos daarentegen hebben witte pluimen op hun helm en behoren – zo wil de traditie – tot de werkgevers en de adel. Aanvankelijk word ik genegeerd omdat men mij beschouwt als een spion van de coliblancos. Als ik tenslotte een helm van een colinegro uitprobeer, daalt er een klaterend applaus op mij en mijn ziel. De pastoor biedt mij spontaan een glaasje fino Cancionero de Baena aan, een lokale montilla van bodega Jesús Nazareno die door kenners hoog wordt aangeslagen. Ik drink het glas in één teug leeg, pak een trommel en laat mij vereeuwigen. De pastoor glundert. Zijn tafelgenote nog meer. De zaal juicht. Ik ben colinegro. Ik ben een van hen. 
Als ik ’s avonds laat na een laatste ronde door Baena de burgemeester aantref in de bar van hotel La Casa Grande is hij verrukt. Ook hij is colinegro. Dat betekent dat we nu trommelbroeders voor het leven zijn. ‘Vijftien jaar geleden was hier alleen tweespalt en jaloezie. Nu is er dankzij de semana santa het hele jaar lang saamhorigheid. Dit is alleen mogelijk omdat de hele bevolking zich ervoor inspant’, concludeert hij tevreden. Nippend aan zijn sherry roept hij Eduardo Tarifo bij zich, een reeds bejaard gemeenteraadslid die wat stilletjes aan de bar zijn zoveelste glas Rioja naar binnen werkt. ‘Zingen’, luidt het bevel van de burgemeester. Dat hoef je Eduardo, die diezelfde ochtend nog enkele saeta’s had gezongen in Málaga, geen twee keer te vragen. Hij haalt diep adem en barst hij uit in een prachtig lied zonder dat er ook maar één Heilige Maagd is te zien in de bar. Voor mij het absolute hoogtepunt van de semana santa.
Maar, amigo, wat is nu de clou van dit alles? Weet jij het? Heb jij in je heremietenbestaan je ziel ooit gepijnigd door nachten lang op je trommeltje te slaan? Vanwaar al deze smart? We lijden omdat we ons meer bewust worden van de heerlijkheid die komen gaat, heb ik eens gelezen. Geloven al die trommelaars nou echt dat ze jaar in, jaar uit hun vingers tot bloedens moeten trommelen omdat ze alleen dan een vrijgeleide krijgen naar de heerlijkheid die nog komen gaat? Dat is toch iets om droef van te worden. Nou ja, droef is ook pijn.
Eduardo zingt zijn saeta
Eenmaal terug in kamer 301 heeft de klok al twaalf slagen geproduceerd, ook al heb ik ze niet gehoord want het tromgeroffel buiten houdt nog steeds aan. Het klinkt nu zelfs dreigend, als een naderend onweer. Even nog denk ik dat ik toch maar moet bidden alvorens mijn oren af te dekken met oordopjes. Maar waarom zou ik bidden? Ik ben immers een colinegro en dat is in Baena hetzelfde als een aflaat in het Vaticaan. Mijn reis over de Styx naar de andere kant van het leven is al geregeld. Ik zal de hemel met tromgeroffel en klaroengeschal betreden. Halleluja.
Een paar dagen later, als het tromgeroffel is verstomd, loop ik naar het hoogste punt in Baena. Daar is de kern van de vroegere fortificatie nog te zien uit de tijd dat er een opstand uitbrak, aangevoerd door Umar Ibn Hafsun die zich tot het christendom had laten bekeren. In 1241 was het gedaan met de moslims en viel Baena in handen van het leger van koning Ferdinand III. Waar ooit de moskee was, staat nu de kerk van Santa María la Mayor waarvan de eerste steen al in de dertiende eeuw werd gelegd. Rondom de kerk strekt zich de medina uit, het oude netwerk van witgekalkte straatjes. Hier en daar klinkt de melancholische stem van een flamencozanger uit een huis. Kinderen spelen met een hoepel. Een vrouw borduurt voor de open deur van haar woning. 
De geelbruine kleur waarmee de poorten en kozijnen zijn beschilderd lijken de bestendigheid van de dominante aarde te willen accentueren. Teruggekeerde stilte. Geen trommel te horen. Opnieuw is Baena een oase van rust. Om de dichter J.C. Bloem te parafraseren: 

             Deze voorjaarsdag is schoon als nooit tevoren. 
            Zijn er werkelijk niet veel even schoon geweest? 
           Zulk een bitterheid was mij nog niet beschoren. 
           Is er één roffel waarvan men nooit geneest?

Uw toegenegen scribent,

ARBOL


                           



woensdag 24 april 2019

Brief aan een intieme vriend


Vertwijfeling (Tardi
Amice,

Had ik je al eens verteld hoezeer je als reisgids in mijn leven als scribent hebt gefunctioneerd? Ik was nog maar amper onderweg in Mexico  - nu ruim veertig jaar gelden - of jij stuurde me een citaat van een schrijver van wie ik nog niet eerder had gehoord maar die ik nu koester als een roos op mijn nachtkastje. Louis Ferdinand Céline. Het citaat komt uit zijn spraakmakende boek Reis naar het einde van de nacht, de roman waarmee hij in 1932 debuteerde en die hem in één klap wereldberoemd maakte. 



Ik zou het boek (een dertiende, nu geheel geïllustreerde druk van Uitgeverij Van Oorschot in een vertaling van E.Y. Kummer)  tachtig jaar later aanschaffen (en in één adem uitlezen) toen ik dit prachtige exemplaar aantrof op de boekenmarkt op het Spui in Amsterdam. 
Wat me in die uitgave vooral trof, zijn de sombere, simpele maar zeer doeltreffende zwart-wit schetsen van Jacques Tardi die de lezer bijschijnen op zijn bedevaart naar de verdoemenis. Zijn illustraties deden me, niet in de vorm, noch in het onderwerp, maar wel als tekst-ondersteunend beeld denken aan de tekeningen bij de avonturen van Olli B. Bommel en Tom Poes zoals ik die nog veel vroegerder verslond in het Dagblad van het Oosten. Weinig, nee, absoluut niets wees er toen op dat ik mijn journalistieke carrière in 1963 bij dat inmiddels al lang ter ziele gegane dagblad zou beginnen.
Maar nu dwaal ik af in de catacomben van mijn leven hetgeen nog wel eens vaker zal gebeuren. Het citaat van Céline dus. Dat gaat zo: 
Vertwijfeling (Tardi)
'Reizen is heel nuttig, het prikkelt je verbeelding. Al het overige geeft maar teleurstelling en last. Onze reis hier is volkomen denkbeeldig. Dat is zijn kracht. Het voert ons van het leven naar de dood. Mensen, dieren, steden, dingen, alles berust op fantasie. Het is een roman, een verzonnen verhaal, meer niet. ’t Staat in Littré, en die vergist zich nooit. En trouwens, iedereen kan het doen. Je hoeft je ogen maar te sluiten. Het is aan de andere kant van het leven….’.

Dankzij dat citaat werd Céline ongewild en ongevraagd mijn compagnon op de reis die mij van de ene kant van het leven naar de andere kant voerde. Als een soort levenscredo voerde ik het citaat te pas en misschien ook wel te onpas op in artikelen en boeken. Alsof ik zonder Céline niet verder kon of minimaal zou verdwalen in het doolhof aan de andere kant van mijn leven.
Oh zeker, je moet het weten want soms ging je met me mee en was je prominent getuige van mijn leven als popjournalist. Wat een opwinding. Wat een ledigheid. Wat een teleurgang. Mick Jagger vertelde mij ´s nacht om half drie op de zevende etage van het Okura-hotel in Amsterdam in zijn bekakte Cockney-Engels dat hij zich alles kon herinneren ‘maar niet zo goed’. Lou Reed was in de bar van het Pulitzer Hotel in Amsterdam meer geïnteresseerd in mijn vriendin dan in mijn vragen. Vijf dagen toerde ik met Supertramp door België, Duitsland en Nederland en elke middag drapeerde gitarist Roger Hodgson een stijlvol gekleurd stuk textiel dat hij in India had gekocht over de obligate staande schemerlamp in de hotelkamer en zei dan: ‘Okay, nou ben ik thuis.’  
Met Joan Baez
Stevie Wonder vertrouwde mij na een persconferentie op het Midem-festival in Cannes toe dat hij de aarde vanuit een satelliet wilde zien als zijn blinde ogen dat één moment zouden toelaten. In een voorstadje van Birmingham werd ik dronken met violist Dave Swarbrick van de Britse folkgroep Fairport Convention. Met Richard en Linda Thompson blowde ik me suf in De Kokerjuffer in Enschede. Met Gene Simmons (Kiss) toerde ik na een concert in Hammersmith Odeon in een meer dan royale Bentley (met chauffeur) door de straten van Soho, hij zoekend naar een snelle wip, ik zoekend naar de microfoon van mijn bandrecorder. 
In de Ramada Inn in Nashville zag ik hoe de bodyguard van Jerry Lee Lewis een agressieve red-neck in amper 20 seconden onder de tafel mepte waarna ik getuige was van een liederlijk solo-concert van The Killer (ook al maakte zijn body guard meer aanspraak op die titel). Ik had back-stage en boeiend interview met Joan Baez, maakte in een Amsterdam hotel waarvan ik mij de naam niet meer herinner ruzie met Carol King over cultuurhistorie en ik kreeg een volle Wembley-zaal aan het swingen tijdens het eerste concert in Groot-Brittannië van Emmylou Harris. En ja, ook organiseerde ik in Nederland een lsd-trip met Lori Lieberman, Shusha en Dimitri van Toren. 
Dolly Parton
Maar of ik nu You’re a Rolling Stone van Bob Dylan hoorde in De Kuip in Rotterdam,  Baker Street van Garry Rafferty in de Vereniging in Nijmegen, Me and Bobby McGee van Kris Kristofferson in The Grand Ole Opry, Nina van Udo Lindenberg in een kelder in Hamburg of Waterloo van Abba in de Eurovisiesongfestivalhal in Brighton, uiteindelijk wilde ik nog maar één ding: een interview met Dolly Parton. Met haar sloot ik de etappe af aan die kant van het leven. 
Ik sloot mijn ogen. De reis die ik had gemaakt was denkbeeldig
 geweest, opportuun en gedrenkt in kortstondige euforie. Elke keer weer kwam ik mezelf tegen als ik terug was gekeerd in mijn slaapkamer in Enschede waar de naakte wanden steeds beklemmender werden. Totdat ik me langzaam maar zeker begon te realiseren dat ik dat leven niet meer wilde, dat het anders moest, dat het roer vroeg of laat zou omgaan. Toen ik op een goede dag drieduizend country-platen kon verkopen aan Ben Steneker was er een solide financiële basis gelegd onder de andere kant van mijn leven. Vanaf dat moment wist ik dat ik de onzekerheid van de zekerheid kon inleveren voor de zekerheid van de onzekerheid. 
Aldus geschiedde. Ik verkocht alles, gaf een afscheidsfeest in een verlaten boerderij, net over de grens in Duitsland (die, zo bleek later, geheel was omringd door de Polizei omdat men dacht dat het om een geheime bijeenkomst van de Baader Meinhof-groep ging)  en ik vertrok. Naar Mexico.
Adieu verleden. Bonjour toekomst. Ook al merkte ik vrij snel dat ik mijn verleden zou blijven meetorsen als een ongemakkelijk zittende rugzak met herinneringen, nimmer vervulde gevoelens gevulde rugzak en de gedichten van J.C. Bloem.